Grond en een dak na 25 jaar dienst
Het woord pensioen komt van het Latijnse pensio, betaling, afgeleid van pendere: wegen, betalen. Maar de vroegste Romeinse oudedagsvoorziening was helemaal geen betaling. Veteranen van het Romeinse leger kregen na hun diensttijd grond en een woning toegewezen. Wie lang genoeg had gediend, kreeg een dak boven zijn hoofd en een lap grond om van te leven. Vastgoed als oudedagsvoorziening, avant la lettre.
Dat systeem hield geen stand. Het onteigenen van land voor veteranen zette kwaad bloed bij de zittende eigenaren en het leger bleef groeien. Keizer Augustus greep in. Hij verving de grondtoewijzingen door geld en richtte daarvoor rond het jaar 13 voor Christus het aerarium militare op, een fonds waaruit veteranen na zo’n 25 dienstjaren een premie van ruwweg twaalf jaarsalarissen ontvingen. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Suetonius had Augustus daar een duidelijke reden voor: hij wilde sociale onrust onder oud-soldaten voorkomen.
De financiering is het detail dat blijft hangen. Het fonds dreef grotendeels op een erfbelasting van vijf procent, de vicesima hereditatium. Het eerste pensioenfonds ter wereld werd dus betaald uit een belasting op nalatenschappen. Die belasting was destijds even omstreden als het onderwerp nu.
Tweeduizend jaar pensioengeschiedenis in één beweging: het begon met een huis, werd geld, en de discussie over wie de rekening betaalt is nooit weggeweest.
Gepensioneerde, pensionado of pensioentrekker
Wie zo’n lange geschiedenis in een woord ziet, gaat vanzelf ook op de woorden eromheen letten. Die zijn minder neutraal dan ze lijken.
De taalrubriek van Trouw boog zich onlangs over een vraag van een lezeres: hoe noemden we mensen met pensioen eigenlijk voordat het woord pensionado in zwang raakte? Het antwoord laat zien hoeveel lading er in die woorden zit.
Gepensioneerde is de neutrale benaming: iemand met pensioen, zonder verdere kleur. Pensioengerechtigde is de formele variant, het woord uit wetgeving en acceptatiebeleid. Pensioentrekker duikt af en toe op, met dezelfde licht negatieve bijklank als bijstandtrekker: alsof iemand ergens aan trekt wat hij niet zelf heeft opgebouwd. Pensionaris klinkt deftig en past eerder bij de ambtenaar met pensioen dan bij de gewone werknemer.
En dan pensionado. Oorspronkelijk een Spaans leenwoord voor uitkeringsgerechtigde, maar in het Nederlands verschoven naar een specifiek type: de vitale, welgestelde gepensioneerde die zijn derde levensfase in relatieve rust doorbrengt, hier of in een zonnig buitenland.
Voor de adviespraktijk kan dat woord het beeld ongemerkt kleuren. Bij ‘pensionado’s’ ligt de nadruk al snel op financieel comfort, bij ‘pensioentrekkers’ juist op kwetsbaarheid. De werkelijkheid is meestal genuanceerder en wordt pas zichtbaar in het gesprek met de klant.
De cirkel is rond
Die klant zit de komende jaren vaker aan tafel. Huiseigenaren van 65 jaar en ouder hebben volgens CBS-vermogenscijfers gemiddeld ruim drie ton aan overwaarde. Geld dat vastzit in stenen, terwijl het inkomen van de eigenaar vanaf de AOW-leeftijd een ander karakter krijgt dan daarvoor.
Want vanaf dat moment, nu 67 jaar, verandert er iets wezenlijks. AOW en werkgeverspensioen zijn allebei levenslang en in hoge mate voorspelbaar, waar een salaris kan stijgen, dalen of wegvallen. Bij een inkomen dat levenslang zeker is, past een rente met hetzelfde karakter. Dat is de gedachte achter Levenslang Zeker, de nieuwe hypotheek van MUNT die vanaf de AOW-leeftijd kan worden afgesloten: overwaarde verzilveren tegen een rente die net zo lang meegaat als het inkomen waaruit hij wordt betaald.
En daarmee is de cirkel rond, twee keer zelfs. Sinds 2014 financiert pensioengeld via MUNT de huizen van Nederlandse gezinnen. Straks maakt het huis zelf weer deel uit van het pensioen. Op het afscheid van de vrouw die daar vanaf dat eerste miljard nauw bij betrokken was, vertelde een professor dat het zo ooit begonnen is.
De Romeinse veteraan zou er weinig vreemds aan vinden. Hooguit aan het woord pensionado.