Elke week spreken we een adviseur over het belangrijkste nieuws uit de hypotheeksector. Deze keer: Rick Felen van HypothekenUnie in Tilburg over studieschulden, hypotheekregels en de jubelton.
Van Bruggen Adviesgroep pleit ervoor om studieschulden niet langer mee te tellen bij hypotheekaanvragen. Eerlijker voor starters, zo luidt de redenering. Maar helpt het echt, of verplaatst het probleem zich vooral naar hogere prijzen en grotere risico’s?
“Ik denk niet dat de studieschuld dé bottleneck is voor starters. Negentig van de honderd starters die nu instromen, heeft een studieschuld onder het nieuwe stelsel. Gemiddeld zo’n €20.000. Dat scheelt ongeveer €15.000 aan leencapaciteit. Maar daar zit het knelpunt meestal niet.
Onder het oude stelsel woog een studieschuld veel zwaarder, omdat die in vijftien jaar moest worden afgelost. Nu wordt vooral gekeken naar inkomen en perspectief. Ik zie hier regelmatig mensen van 25 tot 27 jaar met salarissen van €60.000 tot €70.000 bruto. Met zo’n inkomen kun je, ook mét studieschuld, prima kopen. Niet in Amsterdam, maar in veel andere steden en provincies wel.
Natuurlijk komt er soms iemand voorbij met een echt hoge studieschuld, waarbij het lastig wordt. Maar dat is de uitzondering. Ik werk in Tilburg, een vrij gemiddelde stad, en ik zie niet dat het schrappen van studieschulden ineens tientallen extra hypotheken per jaar mogelijk maakt.
Het echte probleem zit niet in de hypotheekregels, maar in de woningprijzen. De gemiddelde woning kost inmiddels bijna €480.000. Het aanbod is te klein, de vraag te groot. Door studieschulden niet mee te tellen, help je misschien een beperkte groep, maar je lost de wooncrisis niet op. Sterker nog: je vergroot het risico op verder stijgende prijzen.”
Uit onderzoek van ING blijkt dat de woningnood de generatiekloof vergroot. Gen Z maakt zich aantoonbaar meer zorgen over woonkansen dan babyboomers. Wat helpt starters wél vooruit?
“Die generatiekloof is er zeker. Ouderlijke steun speelt een steeds grotere rol. Veel ouders hebben in gunstige tijden gekocht of verkocht, met lage hypotheken en veel overwaarde. Dat maakt helpen mogelijk.
De afschaffing van de jubelton heeft daarin echt verschil gemaakt. Voor starters was dat een belangrijk instrument. Banken staan nog steeds constructies toe waarbij ouders bijvoorbeeld € 100.000 lenen en de lasten jaarlijks schenken. Per saldo is zo’n lening dan neutraal. Maar door de box 3-regels is dit fiscaal een stuk minder aantrekkelijk geworden. De Belastingdienst ziet het als een vordering, rekent met fictief rendement en heft belasting, terwijl het vaak puur om hulp gaat.
Kansrijker zou zijn om de jubelton terug te brengen, of om in box 3 uitzonderingen te maken voor dit soort familieconstructies. En uiteindelijk blijft betaalbaar bouwen cruciaal. In sommige regio’s is een eerste woning voor starters simpelweg onbereikbaar geworden.
Wat vaak onderbelicht blijft, is dat het probleem breder is dan jonge starters. Denk aan mensen die uit elkaar gaan. Zij hebben soms overwaarde, maar niet genoeg om opnieuw te kopen. Op papier lijken ze vermogend, maar in de praktijk lopen ze vast, omdat woningen vaak pas beginnen bij drieënhalve tot vier ton.
Tot slot spelen verwachtingen een rol. Woonwensen liggen soms hoger dan wat financieel haalbaar is, zeker bij minder werken. Tegelijkertijd zoeken jongere generaties meer balans tussen werk en privé. De huidige woningmarkt sluit daar nog nauwelijks op aan.”