De hoofdregel en de uitzonderingen
Een woning kwalificeert als eigen woning wanneer deze ‘anders dan tijdelijk’ als hoofdverblijf dient. Voor de inkomstenbelasting gaat het daarbij om de intentie om de woning als hoofdverblijf te bewonen, feiten en omstandigheden bepalen of die intentie geloofwaardig is. Paalman illustreerde dit met het voorbeeld van een parlementariër die zijn Haagse woning ten onrechte als eigen woning opvoerde. De fiscus corrigeerde dat, omdat het middelpunt van zijn sociale en economische belangen in Maastricht lag.
De wet kent drie relevante uitzonderingen bij verhuizen:
- De oude woning na verhuizing blijft een eigen woning, mits leeg (= niet verhuurd) en bestemd voor verkoop. Termijn: het lopende kalenderjaar plus drie jaar.
- De nieuwe woning in aanbouw of leegstaand mag ook als eigen woning worden aangemerkt, ook al woont men er nog niet. Ook hier geldt het lopende jaar plus drie jaar.
- Bij relatiebreuk mag de vertrekkende partner zijn of haar aandeel nog twee jaar als eigen woning beschouwen, mits de ex-partner er feitelijk woont.
Lagere overdrachtsbelasting: minimaal zes maanden hoofdverblijf
Anders dan bij de inkomstenbelasting geldt voor het verlaagde tarief overdrachtsbelasting (2% in plaats van 8%) de eis van feitelijk bewonen als hoofdverblijf. De vuistregel is: minimaal zes maanden, tenzij er sprake is van een uitzondering buiten eigen macht. Paalman besprak een rechtbankuitspraak waarbij een echtpaar tijdelijk in een woning woonde, terwijl hun nieuwe woning nog verbouwd werd. Omdat zij zes maanden in die woning verbleven, werd toch het lage tarief toegekend. Het 6-maandscriterium blijkt in de praktijk een zwaarwegende factor.
Bestaande eigenwoningschuld en fictieve vervreemding
Het overgangsrecht (bestaande eigenwoningschuld) geldt alleen bij een feitelijke aflossing. Een fictieve vervreemding, zoals verhuur, telt daar niet voor. Er zijn twee situaties behandeld:
- Terugkeer na verhuur: iemand verhuurt zijn appartement vijf jaar en keert daarna terug. Het overgangsrecht herleeft bij terugkeer, ongeacht hoelang de verhuurperiode duurt. De dertigjaarstermijn loopt tijdens de verhuurperiode niet door.
- Oude woning verhuren, nieuwe woning kopen: wie de oude woning verhuurt in plaats van verkoopt, kan de bestaande eigenwoningschuld niet meenemen naar de nieuwe woning. Op de nieuwe woning geldt uitsluitend nieuw recht, inclusief de bijbehorende aflossingsverplichtingen.
Kan-bepaling bij partners met verschillend eigenwoningverleden
De kan-bepaling biedt partners de mogelijkheid om de bestaande eigenwoningschuld van één partner gezamenlijk toe te passen. Stel: een man met een aflossingsvrije hypotheek van €200.000 (overgangsrecht) is gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen met een vrouw zonder eigenwoningverleden. Ze kopen samen een woning van €750.000 en willen €200.000 aflossingsvrij financieren.
Zonder kan-bepaling valt het aandeel van de vrouw (€100.000) in box 3 en is er dus geen renteaftrek. Mét kan-bepaling valt die €100.000 in box 1, maar loopt zij mee in de al verbruikte renteaftrekperiode van de man. In theorie is de kan-bepaling een vrije keuze; in de praktijk is er bij gemeenschap van goederen geen alternatief. Paalman adviseert: gebruik bij voorkeur een draagplichtovereenkomst als de situatie dat toelaat, want dat pakt fiscaal doorgaans voordeliger uit.
Aflossingsschema's bij verhuizen (nieuw recht) en overbruggingsfinanciering
Bij verhuizen met een nieuwrechtschuld gelden drie spelregels:
- Voortzetten van het bestaande aflossingsschema
- Altijd eerst de schuld met de kortste resterende looptijd
- Aflossing uit eigen middelen: weg is weg.
In de praktijk gaat het eerste punt regelmatig fout: adviseurs zetten bij doorstromers alles opnieuw op 30 jaar.
Paalman toonde een optimalisatiemogelijkheid: door vóór verkoop €150.000 af te lossen, daalt de aflossingsstand. Na verkoop kan dat bedrag opnieuw worden geleend voor de verbouwing, waarvoor dan een looptijd van 360 maanden geldt. Bij 4% rente scheelt dat bruto ruim €300 per maand. Kanttekening: bij een lage lopende rente is vooraf aflossen zelden verstandig.
Op een overbruggingsfinanciering geldt géén aflossingsverplichting. Op de oude schuld geldt tijdens verhuisregeling ook géén aflossingsverplichting (nu ook binnen NHG-normen). Wie de overbrugging uit eigen middelen voorfinanciert, hoeft de overwaarde later niet alsnog in te brengen.
Eigenwoningreserve en verbouwing
Wat als er na aflossing van de overbrugging extra overwaarde overblijft, en de klant wil daarmee verbouwen, maar pas over twee jaar? De rente blijft alleen aftrekbaar als de extra overwaarde wordt besteed aan een verbouwing in hetzelfde kalenderjaar, of bij verkoop later in het jaar, binnen zes maanden. Wordt de verbouwing later uitgevoerd, dan valt het betrokken deel van de schuld in box 3. Advies: los de extra overwaarde af op de bestaande schuld en verhoog de hypotheek opnieuw op het moment van verbouwen. Zorg dat de verbouwingsintentie aantoonbaar is.